De taxibus

“Na de herfstvakantie is te snel”, zegt mijn man. “Het liefst rijd ik elke dag op en neer, maar dat is niet goed voor haar”, is mijn antwoord. “Laten we het met haar zelf bespreken”, vindt hij. “Dat heb ik al geprobeerd, ze wil liever met mama in de auto”, vervolg ik ietwat moedeloos. “We zitten nu net een beetje lekker in het ritme en dan moet het weer anders”. Hij wil het ook niet, denk ik.

Het beeld dat Noa elke dag met een droevig gezicht, helemaal alleen het donkere pad voor ons huis afloopt naar de wachtende taxibus geeft me de rillingen. Sinds onze verhuizing naar Zeeland, is de speciale school waar ze op zit, bijna twintig kilometer verderop. Elke ochtend rijd ik haar naar school en elke middag haal ik haar op. We rijden langs een uitgestrekt natuurgebied en spotten dagelijks de mooiste vogels en zien oogverblindende wolkenpartijen. Maar ja, het is zo ver dat ze met de taxibus mag en dat de gemeente daarvoor betaalt. Bijna de hele klas gaat met de taxi. Maar zij niet.

Telkens herhalen de voordelen zich in mijn hoofd. Betere aansluiting bij de klas, geen uitzondering zijn, meer zelfstandigheid, goedkoper, het is hier de normaalste zaak van de wereld en meer tijd om te werken. Rationeel denkend riep ik twee maanden geleden dat Noa na de herfstvakantie wel met het busje kon. Door het hardop te zeggen, dacht ik mijzelf wel te overtuigen. De waarheid blijkt anders.

Hoe vaak ik de voordelen voor mezelf ook opsom, het spook met tegenwerpingen wint iedere keer. Wat gebeurt er in zo’n busje? Zal Noa worden gepest? Ze is zo kwetsbaar. Doet de chauffeur gekke dingen? Wat zal het effect zijn op haar gemoed? Hoe gaat ze om met de andere kinderen in de bus? Hoe verweert ze zich? Maken de kinderen grapjes, waar ze knettergek van wordt? De vragenstroom houdt niet op.

Vandaag ligt weer de telefoon naast mijn laptop. Het nummer van het leerlingenvervoer loket  weet ik inmiddels uit mijn hoofd. En toch spring ik niet in dat diepe gat. Ik wil dit nog niet, ik kan haar nog niet loslaten.

Mevrouw M