Bestemming Addis Ababa

Het is maart 2011 als hij vertrekt. Een project van één jaar belooft hij. “Tot over een paar maanden”, zegt zijn Zweedse vriendin Anna bij zijn vertrek. “Ok, ik laat het weten als ik er ben”, zegt hij. Met een brede lach stapt hij in het vliegtuig. Bestemming: Addis Ababa. Ik had het kunnen weten, toen al.

Twee weken na vertrek belt hij met Skype. Ik zie aan de logo’s dat hij in het Sheraton hotel verblijft. “Pap, mag ik een adres en telefoonnummer? Dan kan ik je bereiken.” “Dat heb ik nog niet.” Ik sla mijn ogen neer en laat mijn schouders zakken. “Hmm, ok, later dan. Hoe gaat het daar?” “Het is hier warm en vochtig. Ik eet lekker in het hotel en ga elke dag even naar de gym om mijn conditie op peil te houden.” Het gesprek kabbelt nog even voort en we nemen afscheid. Sceptisch als ik ben, blijf ik nog even achter mijn laptop zitten. Ik google Sheraton, Addis Ababa. Binnen vijf seconden heb ik een adres en telefoonnummer. Waarom geeft hij dat niet gewoon?

Een paar weken later hebben we weer contact. Het hotel wordt te duur. Volgende week betrekt hij een woning in de stad. Weer vraag ik zijn adres. “Dan kan ik je een tekening van Noa sturen, speciaal voor jou gemaakt.” “In Addis hebben de huizen geen adressen, stuur maar naar het werk.” “Huh?” Verward hang ik op. Hoezo geen adressen?

In Nederland schijnt de zon als hij op een middag weer skypet. Hij zit in een grote groene loods, achter een bureau. Ik hoor herrie op achtergrond. Hij deelt orders uit en hier en daar wordt een hantekening van hem gevraagd. Zie ik het nou goed? Laat hij een baard groeien?

Het bevalt hem goed in Ethiopië. De machtige blik in zijn ogen en de lach op zijn gezicht bevestigen dat. Hij vertelt over zijn huishoudster die voor hem boodschappen doet en kookt. De Skype verbinding hapert en valt weg. We bellen opnieuw. De verbinding kraakt, ik vraag snel zijn telefoonnummer. Mocht er iets gebeuren, wil ik niet afhankelijk zijn van internet en gewoon kunnen bellen. “Heb ik niet”, zegt hij. In zijn huis blijkt ook geen internet. Alleen op het werk is internet. De verbinding valt weer weg. Ik geef het op en bel niet terug. Hij ook niet.

In de dagen na het gesprek groeit mijn onrust. Wat als er iets gebeurt? Een naar gevoel bekruipt me.

Het is september 2011, als ’s ochtends om 7.30 uur mijn mobiel rinkelt. Op het scherm zie ik ‘Anna’. Ik ben meteen in opperste staat van paraatheid. Waarom belt zij me op dit tijdstip? Ik neem op en hoor een huilende vrouw. “Anna, wat is er?” Mijn hart klopt in mijn keel, mijn ademhaling versnelt. “Het is Rolf!” Haar stem klinkt wanhopig. O nee, hij zal toch niet? In gedachten zie ik mijzelf zijn familie bellen met slecht nieuws. “Hij is in Addis Ababa getrouwd met een Ethiopische van 26.” “Wat!?” “En hij is moslim geworden!” Dit is teveel voor mijn hoofd. “Anna, dat kan toch niet waar zijn.” “Het is echt waar!”, ze schreeuwt nu door de telefoon.

Gedurende de dag vallen de puzzelstukjes langzaam op zijn plaats. Een project van een jaar, geen telefoonnummer, geen adres, contact vermijden. De huishoudster, de baard, zijn ogen en de grijns op zijn gezicht tijdens ons laatste gesprek. Nee, niet weer!

Aan het einde van de middag skype ik hem. Geen beeld, geen visuele confrontatie. Hij neemt meteen op. “Hoi, alles goed?” Ik wil weten of het waar is. “Of wat waar is?”, vraagt hij. Hij doet alsof zijn neus bloedt. Mijn temperatuur stijgt. “Ja, ik ben getrouwd met Feya”, klinkt het door de speaker. “En ben je moslim geworden?” “Ja, ik heb mij bekeerd, het is zo’n mooi geloof.” Mijn bloed begint te koken en ik schreeuw. “Heb je enig idee wat je Anna aandoet? Twintig jaar samen, vertrekken met een smoes en vervolgens trouwen met een ander! En dan ook nog moslim worden. Wat ben jij voor idioot!” Ik schud mijn hoofd en loop driftig heen en weer. Dit kan toch niet gekker worden? Op dat moment zegt hij: “We willen ook graag een kind.” Als mijn hoofd niet vast zou zitten, knalde het nu van mijn romp. Zo woest ben ik. Ik zweer hem dat hij ons, inclusief zijn kleinkind, dan nooit meer te zien krijgt. “Hoezo, het is toch mijn leven?” Dit antwoord slaat me lam. Wat bezielt hem? “Pap, ze doet het alleen voor het geld!” “Nee, het is echt liefde.” De moed zakt me in de schoenen. Dat was het dan, denk ik. Ik neem afscheid met de woorden “succes ermee”.

De maanden daarna hebben we geen contact. De hele familie is in rep en roer en Anna is ontroostbaar. Ik bel mijn moeder. “Mam, het is weer gebeurd.” Ik hoef het niet uit te leggen, ze heeft ervaring. Voor wie speelt hij? Voor God in Ethiopië? Hij doet alsfo hij een man is van veertig, kinderloos en eigenaar van een stuk land in Addis Ababa. Zijn vorige bestaan bestaat niet in Ethiopië.

Inmiddels is het contact herstellende. Hij heeft al minstens twee keer een pistool tegen zijn hoofd gehad. Hij is gewurgd en bewusteloos op straat gevonden. Hij pretendeert gescheiden te zijn van Feya. De advocaten vechten om zijn geld en zijn stuk land. Zij wil het allemaal hebben. Hij wil over drie jaar terug naar Anna in Zweden, om daar van zijn pensioen te genieten. Anna vindt het goed. De waanzin heeft zijn hoofd verlaten, en keert over een jaar of tien terug.

Mijn vader kan van leven wisselen. Alsof hij van het ene naar het andere leven zapt. Eens in de tien á twintig jaar pakt hij de afstandsbediening en zapt. De verbeelding van een ander leven neemt zijn gedachten over. Hij kiest een land, zoekt een baan en zapt.