Niet alle kinderen spelen buiten

Het is woensdagmiddag een half uurtje na de lunch. Noa zit aan de salontafel in de woonkamer. Even bijkomen van de knapperige tosti die we samen hebben gegeten. De schooldag moet nog in haar hoofd verwerkt worden. Het ophalen van school ging prima. Noa was niet boos, niet blij, gewoon neutraal. Opgetogen vertelde Noa dat ze in de pauze zonder jas buiten mocht spelen. In de auto naar huis zong ze eigen teksten op liedjes van Kinderen voor Kinderen. Uit volle borst met al haar passie. En nu zit ze daar. In de woonkamer, alleen, wil met rust gelaten worden.

Ze heeft haar favoriete stickerboek gepakt en is haar eigen wereld ingegaan. De fel roze en helder blauwe kleuren van het boek schijnen op haar gezicht als ze er met het puntje van haar neus boven hangt. Haar ogen gaan kris kras over elke bladzijde. Zachtjes tikt ze met haar wijsvinger op ieder poppetje. Ze zegt niets.

Als ik even kom kijken hoe het gaat krijg ik een boze blik. Haar hand maakt een wegwuif gebaar. Dat is duidelijk. Wegwezen. Ze is nog niet klaar met het ordenen van haar hoofd, de rijtjes kloppen nog niet. Ik houd mijn mond en ga aan de eettafel zitten. De zon brandt op mijn rug. De buitenlucht lonkt. Wachtend op haar eerste woord probeer ik de tijd te doden. Ik weet inmiddels dat dat eerste woord betekent dat ze er weer is. Dat ze terug is gekeerd in de echte wereld en er weer gesproken mag worden.

De klok tikt genadeloos door. Het eerste woord komt niet. Op straat hoor ik jubelende kinderen. In vrolijk gekleurde shirts steppen en skeeleren ze ons huis voorbij. Gefrustreerd door de mooie dag die stil voorbij gaat vraag ik me af hoe ik haar in beweging krijg. Naar buiten, naar de trampoline, het zachte windje, de stralende zon. Naar de lach die dat op haar gezicht kan toveren.

Nog een keer ga ik bij haar kijken. De boze blik en het wegwuif gebaar zijn nu dwingender. Nee, ze is er nog niet. De eerste bladzijde van het stickerboek ligt open. Ze is opnieuw begonnen. Mijn gevoel zegt dat dit nog wel even kan duren.

In de tussentijd probeer ik dingen te verzinnen om haar naar buiten te krijgen. Steppen met het buurmeisje, springen op de trampoline, op pad met de avonturenclub. Met tussenpozen stel ik ze aan Noa voor. Geen reactie, stilte. Ze zit nog in haar eigen wereld. Al twee lange uren verstopt ze zich in haar boek. Ze wil haar fantasie wereld nog niet verlaten. De poppetjes zijn haar vrienden met wie ze geluidloos communiceert. Ik leg me er maar bij neer. Er komen vast nog meer mooie dagen.

Net als ik wil beginnen met het avondeten hoor ik een heldere stem uit de woonkamer. “Mama”, klinkt het. Ik til mijn hoofd op en mijn mondhoeken gaan omhoog. Ze is er weer. Nu kunnen we naar buiten.