Terug bij af

Het is donderdag in de ochtend als de telefoon rinkelt. Juf Marianne: “Noa is ziek, kan ze opgehaald worden?”, klinkt het vanuit Zierikzee. “En er is ook iets gebeurd waardoor ze overstuur was, maar dat is uitgesproken.” Ik weet even niet wat te zeggen, terwijl ik dit hoor. Mijn gedachten voeren mij terug naar de ochtend die hieraan vooraf ging. Opstaan, aankleden, ontbijten, tanden poetsen, het ging allemaal prima. Daarna trok Noa zich wel terug op de bank, ze wilde me niet in haar buurt.

Het wachten was op de jongen uit haar klas, met wie we sinds drie weken carpoolen. De klok tikt langzaam door, terwijl ik af en toe uit het raam kijk of ze er al aankomen. Rond 8.15 uur staat het jongetje voor de deur, samen met zijn mama. Noa trekt snel haar jas aan en stapt naar buiten. Ik zie dat ze zich groot maakt. Ze gaat dicht tegen het jongetje aanstaan. Ze heft haar kin omhoog en is zo zeker een kop groter dan hij. Dan klinkt haar lage stem: “Dat was zeker een grapje hè gisteren over dat je je schoen al had gezet”. Er zit venijn in haar toon. Het jongetje antwoordt onwetend: “Ja.” Met fronzende wenkbrauwen wendt Noa zich af en trekt de deur van de auto iets te hard open. Ze stapt in, zij achterin, hij voorin. Ik weet haar blik niet meer te vinden en zwaai naar niets als ze wegrijden.

Zie je wel, is mijn eerste gedachte als ik de telefoon neerleg. Snel spring ik in mijn auto en rijd te hard naar school. Als ik het gebouw inloop zie ik de juf al voor de deur van het lokaal staan. Ze vertelt gehaast dat Noa zo aan het hoesten was. Daarna merkt ze terloops op dat Noa in de pauze een aanvaring had met het jongetje uit de auto. Dat ze ‘jongen’ was genoemd door hem en ze het hem nooit zou vergeven. En o ja, gisteren had Noa ook al een akkefietje met diezelfde jongen, voegt ze er nog aan toe. Mijn hart huilt, maar ik blijf stevig rechtop staan als de juf de deur van het lokaal opent.

“Mama, wat leuk dat je er bent”, roept Noa uitbundig. “Kijk eens wat ik aan het maken ben, een slinger!” Ze knijpt haar handjes in elkaar van blijdschap. “Ga je mee naar huis lieverd?”, zeg ik met zachte stem terwijl ik haar over de rug aai.

In de auto naar huis zingen we samen liedjes van K3. ’s Middags gaan we ook nog naar de speelgoedwinkel om de hoek. Dat is haar favoriet. Noa huppelt als we ernaartoe gaan en heeft veel praatjes als we weer thuis zijn. Is dit ziek? De rit met een andere mama en een kindje dat grapjes maakt, doen haar ziek lijken. De energie is al op voor de school begint, denk ik.

De druppel komt in de avond. De mama van Noa’s beste vriend belt op. Het zit haar niet lekker. Ze ziet Noa ’s ochtends aankomen op school als ze meerijdt met dat jongetje. “Noa wil dan niet praten, schuift langs de muur en gaat alleen tegen een boom staan”, vertelt ze. Ik weet genoeg.

Diezelfde avond laat ik de ouders van het jongetje weten dat we stoppen met carpoolen. Het liefst zo snel mogelijk.

Een week later rijden we zingend van en naar school. Noa wiegt weer heen en weer, zoals ze altijd doet. We zijn terug bij af.

Mevrouw M