Zee

“Gemiddeld 18 graden en bewolkt”, zei Gerrit Hiemstra gisteren. De keuken ruikt nog naar de knapperige tosti die we net hebben gegeten. Nu hangt Noa op de bank. Alleen de geluiden van Tom & Jerry, haar nieuwe favoriete cartoon, vullen het huis. Mijn blote voeten voelen de kou in de grond onder ons huis.

“Ik wil even alleen zijn”, zegt Noa zacht. Een halve seconde vinden we elkaars blik. Dan kijkt ze weer weg. De iPad als bord voor haar gezicht. Een gevoel van wanhoop kruipt in mijn lijf. Wat nu? Een zucht en een ‘ik begrijp het’ glimlach is alles wat ik kan. Dan loop ik naar de grote ramen die uitkijken op de achtertuin. Mijn ogen staren naar het spel dat de wolken boven onze tuin spelen. Ze slokken mijn gedachten op. Wit en grijs treffen elkaar in de lucht. Groeiend van elkaars energie. Ze komen van zee, niet ver hiervandaan. De zon probeert er tussendoor te prikken. Niet lang meer, denk ik. Nog even en dan strijken de stralen weer door de bomen in onze tuin neer.

Het geluid van Tom & Jerry wordt vervangen door de Zappelin tune. Mijn ogen dwalen af naar de bank. Noa’s positie is ongewijzigd. Onderuit gezakt, hoofd en schouders naar beneden, iPad voor haar neus. Mijn gedachten flitsen langs de mogelijkheden om iets te gaan doen. Hoe ruk ik haar los van die iPad? De vraag die mijn gedachten weigert te verlaten.

– “Noa, zullen we een spelletje doen?”

– “Nee”, vergezeld van haar wegwuivende handje.

Mijn hoofd zakt naar beneden en ik staar naar de grond. Dan draai ik me om en loop naar de keuken. Een warme gloed valt op mijn schouders. Daar is het moment, ik wist het. Met snelle passen terug naar de woonkamer.

– “Noa?”

– “Ja.”

– “Het is misschien een beetje gek met 18 graden.”

Haar hoofd richt zich op. Met grote ogen kijkt ze me aan.

– “Maar, zullen we even naar zee?”, vervolg ik.

Noa’s vinger gaat direct naar de uit knop van de iPad. Ze springt op van de bank.

– “Jaaaaa!”, galmt het door de woonkamer.

Twee minuten later fietsen we zingend naar zee. Noa slaakt kreetjes en wiegt heen en weer op haar fiets. Tja, autisme, denk ik. Laat maar gaan, komt wel goed. Onze fietsen parkeren we naast de strandopgang. Het lukt Noa zelfs om haar fiets op slot te zetten.

– “Mama?”

– “Ja.”

– “We gaan toch wel zwemmen hè.”

– “Natuurlijk. Ook al is het fris, de zee koelt niet zo snel af.”

We lopen het duinpad op. Als we bijna bij de top zijn, verwelkomt de zee ons met een glinsterende gloed. In de verte zien we zeehondjes rusten op de zandplaat.

– “Het is eb mama. Ik zie de zeehondjes!”

Op het uitgestrekte strand doet Noa haar kleren in de tas.

– “Mama, ik ga vast hoor.”

Als ik haar later inhaal, stralen haar ogen.

– “Wie er het eerste is!”

Ze spurt weg, de vrijheid tegemoet.

Ook daarom wonen wij aan zee.

Mevrouw M